De overkant

 

Gisteren, vandaag, morgen

Wat maakt de tijd

De vrouw aan de overkant

Met prammen tot aan haar achterkant

De man met de sterke stok

Die niet voor datgene dient

Het samenkomen

Het afscheid nemen

Aantrekken, afstoten

Opnieuw over het water heen

Het opwekken van het vuur

Het flikkeren van de vlammen

Het doven van het licht

Samen een worden

Samen verder gaan

De ene naar de overkant

De andere aan deze kant

De prammen van de vrouw

De stok van de man

En morgen

Opnieuw

De wereld is een mens rijker.