Momenteel doe ik vrijwilligerswerk in het bejaardentehuis ‘De Heldere Maneschijn’ in Hasselt. Ik ga gewoon wat babbelen met de oudjes. Ondertussen weet ik dat ze graag vertellen over ‘de tijd van toen’. Ze zijn dan enkele uurtjes afgeleid van hun eentonig bestaan. Diegenen die nog kunnen, zitten meestal in het cafetaria. Sommigen kaarten, anderen breien en babbelen en nog anderen zitten naar buiten te staren, wachtend op wat komen gaat.

Ik neem een stoel en ga bij twee oudere dames (Wiske en Martha) zitten, die gewoon naar buiten staren. Ze zijn respectievelijk 88 en 92 jaar oud.

“Hallo dames, kennen jullie me nog?” vraag ik lachend aan hen. “Maar natuurlijk, Vivke, neem een stoel en kom erbij zitten. Jij bent ons zonnetje hier in huis. We hebben veel te vertellen en we zitten te wachten op je.” antwoordt Martha. “Hoe wisten jullie dat ik hier was?” “Zeg Vivke, ons haar mag nu wel grijs of blond zijn, maar zo zijn we niet geboren hoor. Het gaat hier als een lopend vuurtje rond als jij hier bent. Ik zei nog tegen Wiske dat we moesten zwijgen, want jij gaat altijd bij zwijgende mensen babbelen. En hier ben je dan. Ons plannetje is gelukt.” Een schaterlach galmde door het cafetaria. Quasi kwaad antwoordde ik: “jullie zijn ‘tuttebellen’ die ook nog eens doortrapt zijn. Foei dames!”

”Martha en Wiske, als straf moeten jullie me helpen. Ik moet een kort verhaal schrijven over ‘toen je nog op straat kon spelen’. Dat gaat dus over de tijd toen jullie nog grotere belhamels waren. Er waren nog maar weinig auto’s en op straat spelen was geen enkel probleem.” “Meiske, heb je een dagje de tijd?” vroeg Wiske.

Wiske en Martha begonnen te vertellen. Dan zei Wiske iets en Martha ging dan verder of omgekeerd. Het werd in ieder geval een zeer boeiend gesprek. Mij zagen ze niet meer zitten.

Als een jongen en meisje vroeger trouwden, mocht de vrouw nog maar drie maanden werken, dan werd ze ontslagen. Maar nadien, ergens in de loop van de jaren 60, mochten de vrouwen opnieuw buitenshuis werken. De meeste vrouwen bleven thuis om voor de kroost te zorgen. Martha en Wiske bleven thuis. Wiske voedde vier kinderen op, Martha had het moeilijker, zij kreeg één zoon op zeven maanden. Hij spartelde er zich gelukkig door.

“Wiske, weet je nog: de maandagen?” “Martha, spreek er mij niet over, dat was een regelrechte ramp. Ik moest voor zes personen de was doen. Daar waren we de hele dag mee bezig. Wij hadden een wasmachine met zo’n blauw ding in het midden dat van de ene kant naar de andere kant zwierde. En de kookwas, je moest zorgen dat je genoeg gas had, een speciale thermometer, het water met emmers aanbrengen, waspoeder, en dan je vuile was erin, laten weken en dan maar wassen. Met een houten stok de was in de droogzwierder krijgen, daarna spoelen, en opnieuw weer in de droogzwierder. Als laatste buiten op de wasdraad hangen. In de winter hing je heel huis vol draden met was. De kachel bleef branden, dan was de was zeker droog. Wat is de wereld toch veranderd.” Sprak Wiske met een zucht. Martha deed er nog een schepje bovenop: “De luiers, die ben je vergeten, Wiske.” De twee dames lachten weer, ze hadden die tijd toch maar overwonnen. Voor mij een onoverkomelijk probleem, voor hen het leven van de dag.

“Martha, weet je nog? Schipper naast Mathilde, met Nand Buyl en Kris Lomme.” “Ja Wiske, dan zat bijna de hele straat en de familie bij tante Louise. Weet je dat die serie gespeeld heeft van 1955 tot 1963?” “Serieus? Dat had ik nooit geweten. Stilaan kocht iedereen een TV. Ook wij hadden ons een TV aangeschaft” glunderde Wiske, “en op de daken van de huizen stonden overal antennes, die nu het straatbeeld verdwenen zijn, omdat we andere TV’s hebben.

Dit onderwerp deden mijn oren tuitten. Nu kunnen we uitgesteld kijken naar een TV van enkele centimeters dik, met de allerbeste beeldkwaliteit.

“En je kon fijn op straat spelen. Ik moest mijn vier kinderen altijd zoeken. Ik had daar iets op gevonden: ik had een fluitje gekocht en als ik daarop blies, zag ik alle kinderen van de buurt uit de weiden, bossen en de straten komen afgelopen.” wilde Wiske nog vertellen.

“En regelmatig kwamen de meisjes af met een ruikertje bloemen dat ze in de wei geplukt hadden. Dat waren boterbloemen, margrieten, vergeet-me-nietjes, klaprozen en korenbloemen. Ze hadden daar lange grassprieten tussen gestoken. Ze wikkelden er daar een krantenpapiertje rond en zeiden dat ze speciaal naar de bloemenwinkel waren geweest. De meisjes waren zo fier dat ze dat konden afgeven. Als mama kreeg je tranen in de ogen en je zette de ruiker dan ook liefdevol in een vaas. Jij was gelukkig en de meisjes sprongen van plezier. Prachtig om te zien,” vertelde Wiske ontroerd met ogen die er verdacht waterachtig uitzagen.

“Een boterbloem of een korenbloem of die anderen, die ken ik zelfs niet.” dacht ik in mezelf. “Ik zal het eens op internet moeten opzoeken.”

“Wiske, ken je nog de fietsen van in de tijd van toen? Eerst kregen ze een driewieler, waar ze met twee konden opzitten. Daarna een klein fietsje met dikke banden en steunwieltjes eraan. Ik zie mijn man nog altijd onze zoon leren rijden. Op een bepaald moment moesten en zouden die steunwieltjes eraf worden gehaald. Ik hoor ‘mijne kleine’ nog altijd zeggen: “Papa, ik wilt die stomme wielekes nimee aan mene fiest, ik bent al heel groot want ik kant alleen op de WC kruipen en dan aan de rooz flosh hangen en dan gaat mijne kaka naar Jef voor aan zijn koetjes te geven.” “Ja, grote en flinke jongen, dan zullen wij dat maar doen hé” zei mijn man met de meest serieuze stem. Ik had buikpijn van het lachen, dat zal ik nooit meer vergeten. Daarna werd er nog regelmatig over gesproken en dan was er altijd hilariteit en onze zoon werd kwaad.” “Gij magt nie met me lachten. Ik laat zien dat ik aan de rooz flosh kan trekken.”

“Stilaan werden de fietsen maar groter en groter. Bij zijn Plechtige communie kreeg hij een voor het eerst een kleine herenfiets. Je moest hem zien rijden met zijn neus in de wind. Hij was zo fier. En op zijn vijftiende verjaardag kreeg hij dan uiteindelijk een ‘echte’ fiets, zoals hij dat noemde.” Martha lachte weer toen ze verhaal vertelde. “Wiske, weet jij nog wanneer ze een fiets kregen met echte remmen en dat de trapfietsen (achteruit trappen met je pedalen om te stoppen – n.v.d.r.) niet meer verkocht werden? En daarna de fiets met versnellingen. Dat was een rage want iedereen op school had zo’n fiets, enkel mijn zoon niet.” “Nee Martha, dat weet ik niet meer. Dan heeft mijn zoon blijkbaar op een andere school gezeten, bij hem was het juist hetzelfde. Wiske, wat hebben wij onze kinderen toch laten lijden hé. Ze voelden zich zo achteruit gestoten. Zij waren dan de enige twee die geen versnellingen hadden.” “Martha, dan hebben ze nooit naast elkaar gestaan, want ze zaten op dezelfde school.” We gierden alle drie van het lachen, de tranen liepen over onze wangen.

“Wiske en Vivke, nu ga ik jullie nog een straf verhaal vertellen van onze zoon. Ja, hij was enig kind maar verwend was hij zeker niet. En sorry dat ik zoveel babbel, maar dit verhaal moet ik vertellen. “
Het was een zonnige zaterdagnamiddag. We kregen bezoek, maar ik was de taart vergeten. Ik gaf mijn zoon geld om een aantal gebakjes te gaan halen. En zoals het een brave zoon betaamt, ging hij naar de bakker. Na een half uurtje was het bezoek thuis. Wie was er niet thuis? Juist, onze zoon en wij ons maar verontschuldigen tegen die mensen. Rond een uur of vijf ’s avonds kwam hij eindelijk thuis. En zonder gebakjes! Zijn uitleg was: “Mama, ik ben naar de botsauto’s geweest op de kermis. Daar zou een meisje komen, had ze me beloofd op school.” “Ik hoop voor jou dat ze het wachten waard was.” Zei ik kwaad. “Euh nee … ik heb lang gewacht. Ze heeft me laten stikken en toen heb ik onderweg naar huis de gebakjes maar opgegeten” zei hij snikkend van liefdesverdriet. “Dan heb je ondertussen al straf gekregen. In ieder geval ga jij deze week niet meer naar de kermis, dat is onze straf. Je hebt me gehoord, snotneus. Dan had je maar rechtstreeks naar huis moeten komen.” Ik voelde me zo beschaamd tegenover die mensen. Oh, wat was ik op dat moment kwaad op die aap. En nu lachen we ermee.” Met open mond hebben Wiske en ik naar Martha geluisterd. “Martha, jij hebt je peren wel gezien met je kleine.” zei ik tegen haar. “Ik kan nog verhalen over die zoon van mij vertellen hoor.” “Wacht even, Martha, ik wil toch wel nog een slokje koffie drinken.” opperde Wiske

Terwijl ze beiden nog een slokje koffie namen, had ik eindelijk de kans om ook iets te zeggen. “Lieve Wiske en Martha, jullie zijn mijn grootste schatten, maar ik moet hier een einde aan breien, want anders heeft mijn verhaal 15 000 in plaats van 1 500 woorden. Ik moet mijn woordenbroeksriem weer ferm aantrekken. Mijn verhaal zal wel weer honger lijden in deze tijd van woordeconomie. Ik kom de volgende keer terug naar jullie, want zo’n verhalen hoor ik graag.

En de twee lieve oudjes hoorde ik nog schateren, toen ik me ging afmelden aan de balie.